Het is zo’n tegenstrijdig gevoel… het seizoen van de pasars komt er weer aan. Wil ik daar nou wel naartoe of juist niet?
Enerzijds fungeert het als een soort van reünie, je komt elkaar weer tegen, onder genot van eten en drinken zonder dat je zelf dagen in de keuken hebt hoeven staan.
Anderzijds vind ik het een oppervlakkig folkloristisch geheel van vervlogen tijden.
De kwaliteit van het eten gaat zienderogen achteruit, denk alleen al aan de hompen kipfilet met een stokje erdoor, verkocht als peperdure sateh.
Het culturele verschuift naar Indonesisch, want de in Indië opgegroeide generatie wordt kleiner en kleiner (en wat is Indische cultuur?), waardoor er nu meer op de huidige Indonesische cultuur wordt gebaseerd.
Maar het lijkt wel één van de weinige plekken waar ik me minder of niet hoef aan te passen aan de dagelijkse maatschappij waar we in verkeren en dat voelt ook weleens fijn.
Even mogen we gewoon onszelf zijn, even worden we gewaardeerd (met name het eten).
Ambivalent, haat-liefde, dubbel, tegenstrijdig…
Ach, vergelijk het maar met de vierdaagse… vier dagen zijn we loophelden (‘jullie kunnen geen blaren krijgen’, ‘jullie lopen makkelijker met die kleine lijfjes’…) maar de vijfde dag zijn we weer treinkapers…
Ik schrijf het maar weer van me af in een gedichtje… loslaten maar…
pasar malam (maar dan overdag), waar een deel van ons zichtbaar mag zijn, waar we even mogen bestaan; waar we ons even gezien voelen om wie we zijn, door onbewust in het verleden stil te staan; het mag er even zijn, de historie die ons bindt; even lijkt dit land echt zo tolerant als het zichzelf altijd vindt…